Katten screenen op CIN

Op De Kompaan zijn we momenteel niet zo'n voorstander van de CIN-test in het kader van de fok. Drs R. J. Gerritsen heeft veel dieren met nierlijden gezien en via echo onderzocht. Vaak berustte dit weliswaar op CIN, maar CIN is eigenlijk een pathologische diagnose, dat wil zeggen een diagnose die gesteld wordt op basis van weefselonderzoek. De specifieke afwijkingen die bij deze ziekte horen, kun je vooral zien als je microscopisch kijkt. In het eindstadium van de aandoening, die vooral Ragdolls treft, is de nier vaak verkleind, kan deze een onregelmatig oppervlak hebben en er is een afwijkende opbouw in de verhouding schors/merg zichtbaar.


Terwijl een kat aan CIN lijdt, laat ze aan de buitenkant een heel divers beeld zien, bijvoorbeeld een wat wisselende eetlust, gewichtsverlies en op het laatst wat meer plassen en drinken. De nierbloedwaarden gaan langzaam stijgen, blijven wellicht stabiel voor een tijdje maar nemen dan ineens enorm toe. CIN laat dus geen eenduidig, statisch beeld zien, maar een diffuus beeld dat in de tijd verandert. Dit brengt met zich mee, dat we wat het onderzoek naar CIN betreft, bedacht zouden moeten zijn op een groot aantal valkuilen, die tot volledig verkeerde interpretaties kunnen lijden.


Om door middel van echo-diagnostiek te kunnen vaststellen dat een kat aan CIN lijdt, zijn bijvoorbeeld 'normaalwaarden' nodig. Dat wil zeggen dat bekend is wat gemiddeld genomen de grootte en opbouw van de nieren zijn bij katten. Ook is het nodig om onderzoek te standaardiseren.


Bloedonderzoek dient allereerst bij een nuchtere kat te geschieden en de onderliggende methodieken om die bloedbepalingen te doen, zouden met elkaar vergeleken moeten worden. Ook is de vraag welke katten je screent via bloedonderzoek: die met 1 'afwijkende' nier, of die met 2 afwijkende? En stel dat de bloedwaarden normaal zijn, vervalt dan de verdenking CIN? Vindt vervolgens nog hercontrole plaats en zo ja, wanneer?


Bij onderzoek zijn de twee uiterste categorieen altijd de makkelijkste. Als dieren die via echo en/of bloedonderzoek normale en heel duidelijk afwijkende waarden laten zien, is het stellen van een diagnose niet zo moeilijk. Maar de fokker die kosten maakt, mag nu juist verwachten dat een CIN-test uitsluitsel geeft voor wat betreft de categorie katten die hiertussenin zitten. De middengroep.
 

Terughoudendheid is geboden. Wat zegt het dat we op De Kompaan af en toe een Ragdoll zien met een wat kleinere nier, als de kat tegelijkertijd in volle glorie met normale nierwaarden rondloopt?


Het Collegium Cardiologicum, een genootschap van veterinair cardiologen, is ontstaan als een poging om tot betrouwbare echocardiografische screening in het kader van de fok te komen. Zij hebben zich grondig verdiept in het vraagstuk van de betrouwbaarheid (en daarmee het rendement) van hartonderzoek. Als dierenartsen via echo hartonderzoek bij een hond of kat doen, welke criteria leggen zij dan aan en waarom? Dat het antwoord verschilt per ras, blijkt bijv. uit het feit dat hun advies wat betreft de Dobermann was, om goed te kijken naar wat er al bekend was. De rasvereniging van de Duitse Dog werd geadviseerd eerst zelf als groep normaalwaarden te verzamelen.


Vanuit rasverenigingen zou heel goed na moeten worden gedacht over de criteria voor CIN. Eerst zou de literatuur moeten worden bestudeerd: is er voor de kat in het algemeen en voor bepaalde rassen in het bijzonder al iets bekend? Zo niet dan moet een bestuur zich afvragen of er behoefte is aan een standaard en hoe je die dan verkrijgt - bij voorkeur in combinatie met bloedwaarden.


Zolang er geen goed zicht is op deze informatie dienen dierenartsen zich heel terughoudend op te stellen bij het interpreteren van echo-beelden. En rasverenigingen zouden nog eens goed moeten nadenken over het vermelden van onderzoeksuitslagen van kittens en dekkaters, verkregen zonder dat er een betrouwbare standaard aan ten grondslag ligt.
 

Fokken met beleid vergt een investering, die dan wel zinnig moet zijn.