Een ernstige bloeding, vergiftiging, bloedarmoede

altijd alle bloedprodukten op voorraad

Bloedtransfusie bij katten: wanneer en onder welke voorwaarden*

drs R.J. Gerritsen, specialist Interne Geneeskunde, lid Collegium Cardiologicum

Bloed is door de eeuwen heen beschouwd als een magische substantie. Wetenschappers, kunstenaars en dictators zijn erdoor gefascineerd geweest vanwege de mystieke krachten, die eraan werden toegeschreven. En niet helemaal ten onrechte. Als er, om welke reden dan ook, iets mis gaat met de hoeveelheid, de samenstelling of de circulatie van bloed, ontstaan al snel ernstige problemen. Een bloedtransfusie kan dan (tijdelijk) uitkomst brengen. Op verzoek vanMajesteit volgt hieronder een beknopte beschouwing over de achtergronden van deze prachtige techniek, toegepast op de kat!

Korte geschiedenis

Nadat in 1628 een arts aan het Engelse hof, William Harvey, publiceerde over zijn ontdekking van de bloedsomloop, vond in 1665 een geslaagde bloedtransfusie tussen twee honden plaats. Op goed geluk werden twee aders via een zilveren buisje met elkaar verbonden. Dat de bloedtransfusie slaagde, was met andere woorden meer geluk dan wijsheid. Vele, meestal dodelijke experimenten met mensen volgden, onder meer omdat men bloed van dieren gebruikte. Pas rond 1850 ontstond het inzicht dat een transfusie alleen met soortgelijk bloed kan plaatsvinden en bij een mens dus alleen met menselijk bloed, maar nog altijd overleed 1 op de 3 patiënten.

Na de ontdekking van de bloedgroepen en het principe van de bloedstolling begin twintigste eeuw verbeterden de vooruitzichten. Dit leidde ertoe dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Engeland de eerste bloedbank voor mensen werd opgericht. Zoals het met veel inzichten en technieken uit de humane geneeskunde gaat, vond ook de bloedtransfusie in de jaren daarna zijn weg naar de diergeneeskunde. Wel bleef de toepassing ervan in de diergeneeskundige praktijk beperkt, al was het maar omdat er een geschikte donor voorhanden moest zijn. Jammer, want bloed ‘geneest’ weliswaar niet, zoals ik verderop zal uitleggen, maar kan toch levensreddend zijn.

Door technische verbeteringen rondom afname, verwerking, verkrijgbaarheid en toediening van dierlijke bloed(produkten) is het gebruik echter aan het toenemen, in eerste instantie vooral bij honden maar steeds vaker ook bij katten. Wel is het vinden van een donorkat en het afnemen van (voldoende) bloed in de praktijk veel lastiger dan bij een hond

De functie van bloed

Bloed is samengesteld uit een celfractie en een vloeistoffractie. De celfractie bestaat uit rode bloedcellen, die als voornaamste taak het transport van zuurstof hebben, en de bloedplaatjes, die een belangrijke rol in de bloedstolling vervullen. De vloeistoffractie bestaat naast water en daarin opgeloste stoffen, vooral ook uit eiwitten, o.a. het transport eiwit albumine alsmede de afweer eiwitten, de globulinen en stollingseiwitten. Door middel van centrifugeren zijn deze twee componenten van elkaar te scheiden. De celfractie, vaak aangeduid als ‘packed cells’, is zo’n 35 dagen houdbaar in een speciale bewaarvloeistof. De vloeistoffractie kan worden diepgevroren en is dan minstens 1 jaar houdbaar. Dit proces van centrifugeren of scheiden gebeurt routinematig met bloed van mensen en honden. Kattenbloed wordt door de kleine hoeveelheden bij afname (max. 50 tot 60 ml) als volbloed bewaard.

Bloed is een unieke en onvervangbare lichaamseigen stof met alle voordelen van dien. Bloed is kostbaar, alleen al vanwege het bijzondere aspect van de donatie. Bloed is er omdat een eigenaar vrijwillig toestaat dat zijn of haar kat bloed geeft!

Indicaties voor een bloedtransfusie

Er is een aantal belangrijke indicaties voor bloedtransfusie. Toediening van bloed of een bloedproduct is nodig bij ernstig en acuut bloedverlies door trauma: de kat die is aangereden of van grote hoogte is gevallen. Een enkele keer wordt bloed ook ‘preventief’ toegediend, bijv. voorafgaande aan een operatie waarbij ernstig bloedverlies verwacht wordt. Ook acute bloedarmoede door bloedafbraak en bloedverlies door bijvoorbeeld een vergiftiging kunnen situaties zijn die om een transfusie vragen. Donorbloed houdt de patiënt in leven, niet meer en niet minder, in afwachting van het starten en/of aanslaan van de behandeling.

Naast deze acute indicaties, noem ik de kat die, zonder dat de eigenaar dit heeft gemerkt, al langere tijd en dus chronisch bloedarmoede heeft. Op De Kompaan zie ik geregeld dergelijke patiëntjes. De gezondheidstoestand van de poes verslechtert ineens ingrijpend. Een transfusie met bloed geeft ons ook hier ‘tijd’. Tijd om te onderzoeken wat de oorzaak van de bloedarmoede is, of deze eventueel te behandelen is en – als de eigenaar dat wil – die behandeling te starten. Want soms is de diagnose snel gevonden, soms gaat er tijd overheen en is meer uitgebreid nader onderzoek nodig. Hoe moeilijk de afweging ook is, van sommige aandoeningen is bekend dat de prognose slecht is. Soms moet ik een eigenaar vertellen dat zijn of haar poes bloedarmoede heeft als gevolg van een ernstige infectieuze - of tumorziekte. Een (volgende) transfusie is dan zinloos.

Iets over bloedgroepen

De meeste mensen zijn wel bekend met het bestaan van bloedgroepen, met name die welke bij de mens voorkomen; A, B, AB, O en de Rhesusfactor + en - . Er zijn veel meer bloedgroepen bekend bij de mens, maar juist de bovenstaande zijn van betekenis gebleken voor het succesvol geven en ontvangen van bloedtransfusies. De situatie bij de kat is eigenlijk vergelijkbaar. Drie bloedgroepen (A, B en AB) zijn van belang in het kader van bloedtransfusies, maar er zijn er zeer waarschijnlijk veel meer!

In 1962 werden voor de kat voor het eerst de bloedgroepen A en B beschreven (Eyquem et all). Daarna was het een tijdje stil tot in 1981 een publicatie volgde over de bloedgroep AB (Auer and Bell). Sindsdien zijn gegevens verzameld over het voorkomen van de verschillende bloedgroepen en hierin blijken interessante verschillen van land tot land, van continent tot continent te bestaan! Bloedgroep type A is de veruit meest voorkomende bloedgroep bij de kat. Bij de Europese Korthaar in zowel de meeste Europese landen als in Amerika heeft meer dan gemiddeld 90% van de katten bloedgroep A. In een continent als Australië is dat echter slechts 73%. Bloedgroep B komt dus maar in een klein percentage van de Europese Kortharen voor, maar bij onze raskatten in een hoger percentage, met duidelijke verschillen tussen de rassen. Zo bleek uit onderzoek in de Verenigde Staten dat daar tussen de 25 en de 50% van de Brits Kortharen bloedgroep type B heeft, waar dat bij de Maine Coons minder dan 5% was en bij o.a. de Siamezen in het geheel geen B-katten werden aangetroffen. Het bloedgroeptype AB komt voor in die populatie waar ook bloedgroep type B voorkomt, dus in een heel klein percentage van onze Europese Kortharen en in populaties van raskatten.

Het bloedgroeptype is niet afhankelijk van geslacht of kleur vacht en wordt via de erfelijkheidswetten van Mendel overgeërfd. Bloedgroeptype A is dominant over B. Type A katten kunnen homozygoot dan wel heterozygoot zijn. Type B katten zijn altijd homozygoot. Een derde allel, het AB allel, dat recessief is ten opzichte van A maar dominant ten opzichte van B, vererft het AB bloedgroep type. Vanaf dag 38 van de dracht kunnen in het bloed van de foetussen de A en B antigenen worden aangetoond.

De natuurlijk voorkomende antistoffen in kattenbloed

Elke kat heeft natuurlijk voorkomende antistoffen in zijn bloed. Een kat met type A heeft in wisselende hoeveelheden antistoffen tegen bloedgroep B. B katten daarentegen hebben vrijwel allemaal hoge concentraties antistoffen tegen het bloedgroep A in zich. AB katten hebben geen natuurlijke antistoffen tegen zowel bloedgroep A als B.

De betekenis van bloedgroepen en het voorkomen van natuurlijke antistoffen voor bloedtransfusies

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat het geven van bloed van een donor aan een acceptor heel veilig en betrouwbaar kan mits je de bloedgroepen van beiden kent. In het ideale geval geef je A bloed aan een A ontvanger, B bloed aan een B ontvanger en AB bloed aan een AB ontvanger.  Geef je A bloed aan een B kat dan zal door de aanwezigheid van natuurlijke antistoffen tegen A het A donorbloed snel een heftige transfusiereactie geven in de B kat. Dit kan binnen minuten tot uren leiden tot de dood. B bloed in een A kat wordt wat beter verdragen, maar wie wil er risico’s nemen als het typeren van bloed vooraf een reële mogelijkheid is? Er is een betrouwbare test voorhanden met behulp waarvan het bloedgroep type kan worden vastgesteld.

Heeft een kat eenmaal een bloedtransfusie gehad (of dat nu met een bekend dan wel onbekend bloedgroep type is geweest), dan is een tweede bloedtransfusie altijd riskanter. Voorafgaand aan zo’n tweede transfusie moet beslist een zogenaamde kruisproef worden gedaan om te zien of het donorbloed ook de tweede keer wordt geaccepteerd. Is de kruis- of agglutinatieproef in de humane bloedtransfusie wetenschap een vanzelfsprekende stap, in de diergeneeskunde wordt deze nog wel eens overgeslagen!

Hoe gaat een donatie  in z’n werk?

Als zich op De Kompaan een patiëntje meldt, roepen we een donorkat op. Deze wordt voorafgaand aan het geven van bloed eerst goed lichamelijk onderzocht. Via bloedonderzoek sluiten we uit dat de donor lijdt aan de belangrijkste infectieuze en overdraagbare ziekten. Ook checken we of het eiwitgehalte van de donorkat goed is en deze niet zelf bloedarmoede heeft, want alleen dan is het verantwoord om bloed af te nemen. Verkeert de donorkat in goede gezondheid, dan brengen we hem of haar via een intraveneus infuus onder een lichte roes ofwel ‘sedatie’. De bloedafname duurt enkele minuten en vergt dat de donor stil ligt. Via een naald met daaraan gekoppeld een verlengsysteem en wat ontstollingsmiddel wordt dan 40-60 ml bloed afgenomen. Na de afname wordt de poes snel weer wakker. Vaak gaat de kat al na een uur weer naar huis en extra voorzorgen hoeven in principe niet te worden genomen. Eigenaren van donorkatten menen doorgaans dat de poes zelf er weinig van merkt.

Afgenomen bloed wordt via een intraveneus infuus toegediend aan de ontvangende patiënt, wat in de regel ongeveer 3 tot 4 uur duurt. De resultaten zijn veelal verbluffend; de poes gaat al gauw weer wat eten, ligt er vaak ontspannen bij en is snel minder benauwd. Voor de poes en voor de eigenaar is dit een heel dankbare handeling, terwijl we intussen diagnostiek en/of behandeling opstarten.

Conclusie

Hoewel bloed dus niet ‘geneest’ in de eigenlijke zin van het woord, kan het toch levensreddend zijn! Bloed is een unieke stof die acute verlichting van bepaalde symptomen brengt en belangrijke systemen in het lichaam in de lucht houdt. De zorgvuldige toepassing ervan vergroot de mogelijkheden voor goede diergeneeskundige zorg aan onze huisdieren.

* Artikel, eerder verschenen in het kattenblad  'Majesteit'  © De Kompaan 2008

Meer over bloedziekten

Contact